De haas, het huis en het museum

2

Wie heeft het boek ‘De haas met de amberkleurige ogen’ nog niet gelezen? Marion las net als ik dit fascinerende verhaal en schreef er een verslag over. Ik was in Parijs, ging op zoek naar het huis van de familie en bezocht en passant het bijzondere museum Nissim de Camondo in dezelfde straat en met een vergelijkbare geschiedenis.

De haas met de amberkleurige ogen
Een intrigerende titel voor een fascinerend boek, dat ook nog de nieuwsgierig makende ondertitel ‘een geheime erfenis’ draagt. De haas uit de titel slaat op een van de netsukes uit de familieverzameling van 264 netsukes, die de keramist Edmund de Waal erft van een oudoom van moederskant. De Waal raakt zo gebiologeerd door de vormen van de kleine voorwerpjes en de verschillende materialen waarvan ze zijn gemaakt, dat hij besluit op zoek te gaan naar de ontstaansgeschiedenis van de verzameling. Basis voor zijn zoektocht vormen de gesprekken met oudoom van moederskant Iggy (Ignace Ephrussi) en wat familiepapieren, oude mappen en foto’s, die hij van zijn vader krijgt.

De Waal boekstaaft de geschiedenis van een ooit zeer welvarende joodse bankiers familie oorspronkelijk afkomstig uit Odessa, de familie Ephrussi. Rond 1870 vestigen twee zonen van de oprichter van het zakenimperium Ephrussi zich in Parijs en Wenen. De Tweede Wereldoorlog maakt een einde aan het voorspoedige bestaan en de familie raakt verspreid in de diaspora. Met de familiegeschiedenis schetst De Waal tevens een pakkend beeld van de gebeurtenissen in Europa tussen 1870 en de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. Rode draad vormt de verzameling netsukes, ontstaan rond 1870 in Parijs, verhuisd naar Wenen in 1905, vervolgens naar Tokio na 1945 en uiteindelijk in handen gekomen van De Waal in 1994.
Het pakkende relaas van De Waal boeit van de eerste tot en met de laatste pagina. Lezen, dat boek!

Marion Schut-Koelemij

de_haas_met_de_amberkleurige_ogden_de_waal

ISBN9789049953676

Ephrussi in Parijs
Deze zomer was ik enkele dagen in Parijs. Ik logeerde niet ver van de Rue de Monceau, aan de rand van  Parc Monceau in het 8e arrondissement. Het in het boek genoemde huis was het familiehuis van de Franse tak van de Ephrussi’s en dat ligt in deze straat. Het huis is niet open voor publiek, maar we mochten van de conciërge wel een kijkje nemen. Verder dan de schitterende hal met het imposante trappenhuis kwamen we niet, maar iets verderop in de straat is het Musée Nissim-de-Camondo en wat je daar te zien is, is zeer vergelijkbaar met het interieur van deze familie.
Voor liefhebbers van architectuur, 18e-eeuwse kunst, porselein, tapijten, meubelen, bijzondere snuisterijen en een keuken om van te smullen, is een bezoek aan dit museum zeker de moeite waard. En dan het verhaal erachter, ook dat is bijzonder.

De joodse bankiersfamilie Moïse de Camondo
Toen Auguste Renoir in 1880 het achtjarige meisje Irene Cahen d’Anvers schilderde, kon hij niet vermoeden wat een wervelend leven het meisje én het schilderij zouden hebben. Hij zag toen wellicht niet meer dan de dochter van zijn opdrachtgever, de heer Cahen d’Anvers, een rijke joodse bankier van Antwerpse origine. Irene trouwde met Moïse de Camondo en kreeg een zoon en dochter.

Mlle Irene Cahen d'Anvers

Het Museum Nissim de Camondo is een ode aan de zoon van Irene, Nissim de Camondo

Irene groeit op in weelde. De bals die haar ouders organiseren behoren tot de grootste, meest kosmopolitische die Parijs op dat moment kent. Amper 19 jaar trouwt de levenslustige Irene met de enigszins stugge Moïse de Camondo, die net als zij uit een rijke joodse bankiersfamilie komt. Al snel krijgt het echtpaar twee kinderen, eerst een zoon die naar zijn grootvader Nissim genoemd wordt en dan een dochter die ze de naam Béatrice geven.
Ondanks haar mooie leven is Irene wispelturig en zoekt ze haar geluk vooral buitenhuis. In 1896 wordt ze verliefd op haar stalmeester, de Italiaanse graaf Charles Sampieri.  Voor hem verlaat ze man en kinderen. Ze vraagt de scheiding aan, laat aan haar man het hoederecht over de kinderen, bekeert zich tot het katholicisme, trouwt met de graaf en wordt gravin Irene Sampieri.

De verstoten Moïse wordt nog zwijgzamer dan hij al was. Alleen zijn kinderen en dan vooral zijn oudste zoon Nissim, die hij adoreert, vindt hij nog belangrijk, naast zijn verzameling van hoofdzakelijk  18e-eeuwse kunst.
Om die verzameling beter tot haar recht te laten komen,laat hij begin 1900 zijn woning aan het Parc Monceau helemaal neerhalen en opnieuw opbouwen, zodanige manier dat de kunstwerken er een vaste plaats krijgen.  Alle tapijten, schouwen, deuren enz. die hij in de loop der jaren verzameld heeft, worden erin verwerkt. Het wordt een huis uit begin 20e eeuw, maar met de uitstraling van een klein kasteeltje, een “petit Trianon”, uit de 18e eeuw.
Zoon Nissim groeit ondertussen op tot een elegante jongeman, met toekomstperspectieven waar de andere jongens van die leeftijd alleen maar van kunnen dromen. Maar het noodlot slaat toe. Wereldoorlog I breekt uit. Nissim trekt naar het front, eerst als soldaat, daarna kiest hij voor de luchtmacht en wordt vliegenier. In 1917 wordt zijn vliegtuig geraakt bij een luchtgevecht. Hij kan nog net landen, maar overlijdt enkele dagen later aan zijn verwondingen.

Museum
Vader Moïse is ontroostbaar. Als dochter Béatrice het ouderlijk huis verlaat om te trouwen met Léon Reinach, zoon van eveneens een joodse familie, blijft hij alleen achter. Hij maakt zijn testament op en bepaalt dat zijn woning met alle kunstwerken bij zijn dood als museum naar de Franse Staat moet gaan, ter nagedachtenis van zijn zoon. In 1935 overlijdt hij en wordt het huis het museum Nissim de Camondo.
De tegenslagen die het geslacht Camondo zal kennen, zijn niet ten einde. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, wordt het hele gezin Béatrice Reinach-Camondo opgepakt en gedeporteerd. Geen van hen overleeft de oorlog.
Irene, die ondertussen ook gescheiden leeft van haar tweede man, draagt nog altijd de naam van gravin Sampieri. Ze leeft ondergedoken in een klein appartement in Parijs en weet zich zo aan de aandacht van de Duitsers te onttrekken.
Wanneer na de oorlog de erfenis van Béatrice ter sprake komt, komt Irene weer in beeld. Als enige erfgenaam van haar dochter ontvangt zij het enorme fortuin dat haar ex-man haar had nagelaten. Met dit geld koopt Irene de ‘Villa des Araucarias’ in Cannes. Ze brengt haar dagen door in de casino’s van de Côte d’Azur en als ze in 1963 op 91-jarige leeftijd overlijdt, is samen met haar ook een einde is gekomen aan het fortuin van de Camondo’s.

Het portret van Irene
Toen Renoir het schilderij af had, was noch de opdrachtgever noch kleine Irene zelf er blij mee. Het  werd opgehangen in de vertrekken van het personeel. Renoir had geen vaste prijs bedongen en kreeg er veel minder voor dan wat hij had verwacht. Uiteindelijk komt het schilderij bij Béatrice, dochter van Irene, terecht. Verschillende decennia later, tijdens WOII, is de waarde ervan wel doorgedrongen tot de familie Camondo en Cahen, en ook ver daarbuiten. Het schilderij raakt in handen van Goering, die het  afstaat aan een zekere Georg Bührle, rijk Zwitsers industrieel van Duitse origine, leverancier van zwaar legermateriaal aan de Weermacht en belangrijk koper van kunst.

Na de bevrijding ontdekt Irène Cahen d’Anvers op een tentoonstelling van ‘Meesterwerken van Franse collecties teruggevonden in Duitsland en Zwitserland’ haar portret. Ze onderneemt stappen om het terug te krijgen en via de erfenis van haar dochter, laatste officiële eigenaar van het portret, komt zij weer in bezit van haar eigen schilderij. Maar de haat-liefde relatie met het schilderij blijft en in 1949 besluit ze het alweer te verkopen. Het duurt niet lang of een koper meldt zich aan. Het is… Georg Bührle. Het schilderij vertrekt opnieuw naar Zwitserland, ditmaal in alle legaliteit en met de goedkeuring van de Franse staat. Het hangt heden ten dage in de Foundation E.G. Bührle in Zurich en is jammer genoeg dus niet te zien in het museum Nissim de Camondo. Het museum herbergt wel de mooie collectie kunst van Moïse de Camondo, precies zoals hij het heeft achtergelaten.

museum

trappenhuis bibliotheek

badkamerkeuken

stijlkamers

 

Musée Nissim de Camondo, 63, rue de Monceau, 75008 Parijs
Woensdag tot zondag van 10u tot 17u30; gesloten op maandag en dinsdag.

Bron: Parijslive

 

 

 

Plaats een reactie

4 reacties

  1. Geplaatst door Margriet van Boven, om Antwoorden

    Heel leuk dat jullie ook zo’n interessant item als dit erbij hebben!

    • Geplaatst door Elly van Zutphen, om Antwoorden

      Dank je wel Margriet!

  2. Geplaatst door Ineke, om Antwoorden

    interessant geschiedenis lesje, maakt me nieuwschierig naar het boek, ga het zeker lezen.

    • Geplaatst door Elly van Zutphen, om Antwoorden

      Doen hoor Ineke!
      Groeten van Elly